aw
b
Architecture Workroom
Brussels

Een Wereld Te Winnen— Floris Alkemade in gesprek met Els Vervloesem en Joachim Declerck

Els Vervloesem (EV) en Joachim Declerck (JD) van Architecture Workroom Brussels gaan in gesprek met Floris Alkemade (FA), ongeveer anderhalf jaar na zijn aantreden als Rijksbouwmeester. Zij zijn benieuwd hoe hij vanuit zijn bevoorrechte positie het verschil kan maken. Hoe kan hij mede richting geven aan de rol die architectuur en ontwerp vandaag zouden kunnen of moeten spelen? De wereld verandert in hoog tempo. Vele maatschappelijke opgaven, zoals zorg, klimaatverandering of tewerkstelling manifesteren zich als ruimtelijke ontwerpvraagstukken. Hoe kijkt Alkemade hiernaar, zelf grootgebracht bij OMA, waar op een gegeven moment ‘fuck context’ het leidmotief was. Over architectuur als exportproduct, de maakbare samenleving, ‘tabula scripta’, ruimte voor ontwerpkracht, de verbeelding van een betere toekomst en de kunst van het durven falen. 

Bestel hier het Jaarboek Architectuure in Nederland 2016/17

Als Rijksbouwmeester heeft Floris Alkemade de opdracht om de architecturale kwaliteit en de stedenbouwkundige inpassing van het rijksvastgoed te bewaken en te bevorderen. Daarnaast adviseert hij de regering gevraagd en ongevraagd over het architectuurbeleid. Verder wil hij als Rijksbouwmeester ook vooruitblikken naar de toekomst en allerlei thema’s agenderen die raken aan de herbestemming en herstructurering van buurten, steden en regio’s, en aan diverse maatschappelijke opgaven. Op uitnodiging van de redactie van het Jaarboek ging Architecture Workroom Brussels met plezier eens gluren bij de buren. Wel vaker te gast in Nederland deelt en herkent Architecture Workroom als culturele werkplaats voor architectuur en stedenbouw Alke mades zoektocht naar wat architectuur vermag in het licht van de vele maatschappelijke urgenties. Dat uit zich ook in hun samen werking in het Projectatelier BrabantStad, in het kader van de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam. Op 1 februari 2017 reisde Architecture Workroom af naar Den Haag. Onderweg van het trein station naar de kantoren van de Rijksbouwmeester werden ze vergezeld door jonge betogers, naar aanleiding van de invoering van de ‘moslimban’ door de Amerikaanse president Trump. Wat volgt is de weergave van het interview dat plaatsvond in de kantoren met uitzicht op het Malieveld: op dat moment behalve plek van protest, ook het podium van een oproep voor een andere, betere wereld.

Architectuur is weerloos, maar wel van waarde

JD: Nederland is lange tijd een gidsland geweest wat betreft de relatie tussen architectuur, stedenbouw en maatschappelijke ontwikkeling. Vanaf eind jaren negentig heeft dat succes ertoe geleid dat er sterk is ingezet op de Nederlandse architectuur als internationaal exportproduct. De keerzijde hiervan is dat Nederlandse architecten momenteel meer bezig lijken te zijn met de Business of Design Week in Hongkong dan met de vele maatschappelijke opgaven in hun eigen achtertuin. Hoe lees jij deze ontwikkeling? 

FA: Ik herken wat je zegt. De enorme buitenlandse aandacht voor de Nederlandse architectuur heeft geleid tot een sterke reductie van wat nog door architecten wordt geagendeerd. In de periode dat het eco no misch heel goed ging, is architectuur sterk geassimileerd met de markt en het marktdenken. Tegelijk verdween de idee van een sturende overheid die opereert vanuit een maatschappelijke agenda naar de achtergrond. In tijden van voorspoed heeft dat goed gewerkt. Maar je ziet wat er gebeurt bij een economische crisis: de hele beroepsgroep wordt genadeloos opzij geveegd. Dat komt doordat er geen eigen verhaal meer is, los van die economische agenda. Dat heeft twee grote nadelen. Enerzijds maakt het architecten weerloos in tijden van crisis. Anderzijds worden architecten niet meer serieus genomen op andere domeinen. Architectuur wordt gemarginaliseerd tot een mooi versus lelijk-verhaal.

EV: Dat laatste raakt meteen aan het eerste punt op jouw eigen agenda als Rijksbouwmeester, namelijk: bij iedere opgave zoeken naar maatschappelijke meerwaarde. Het roept een eerdere uitspraak van jou bij me op, namelijk dat ontwerpers zich meer zouden moeten bezighouden met de dingen die ze niet onder controle hebben. Met andere woorden, de afhankelijkheid van architectuur tot de werkelijkheid waarvan ze deel uitmaakt is cruciaal. Hoe probeer jij vanuit jouw positie als Rijksbouwmeester op een strategische manier in die contingente, onoverzichtelijke werkelijkheid te opereren?

FA: Door om te beginnen het belang van die maatschappelijke meerwaarde onder de aandacht te brengen. Vroeger was de architect de specialist in het hele bouwproces: hij wist hoe je dingen bouwtechnisch en constructief moest maken en welke materialisering daarvoor nodig was. Vandaag is het op bouwplaatsen vaak de opdrachtgever die samen met de aannemer al bedacht heeft hoe het goedkoper kan. Zij zeggen eigenlijk tegen de architect: wij hebben je alleen nog nodig voor het mooie beeld; daarna ben je alleen maar lastig en kost je ons tijd en geld. Ik ben ervan overtuigd dat het herwinnen van een relevante positie van de architect moet samenhangen met het weer in het script schrijven van het maatschappelijke verhaal. Daar zit nu de echte noodzaak en vernieuwing. En hoe dat precies zou kunnen gebeuren, dat fascineert me wel. De architectonische manier van denken is daar echt op z’n plek. Het gaat over het opnieuw en anders inzetten van ontwerpkracht.

Ontwerpkracht als antwoord op een solidariteitscrisis

EV: De omstandigheden waarin architecten vandaag werken, zijn inderdaad sterk gewijzigd. Dat heeft veel te maken met de veranderende positie van de overheid. We komen van de verzorgingsstaat en de idee van de maakbare samenleving, waarbij er een sleutelrol voor de overheid was weggelegd. Vervolgens is er een periode geweest waarin het marktdenken sterk op de voorgrond is gekomen. En vandaag zijn we aanbeland bij de zogenaamde participatiesamenleving. Hoe sta jij daar tegenover? En hoe kunnen architecten hiermee omgaan?

FA: De idee van een maakbare maatschappij ging vaak heel ver, en ik zie dat nadrukkelijk niet als iets waar we naar terug zouden moeten keren. De wereld heeft zich ontwikkeld tot wat hij vandaag is, met een terugtredende overheid die naar de gemeenten, de burgers en de marktpartijen kijkt om hun verantwoordelijkheid te nemen. Het is aan architecten om uit te zoeken welke rol zij kunnen innemen binnen dat veranderde krachtenveld. Er zijn urgente vragen waar architecten perfect aan kunnen werken die nu door niemand worden opgepakt. Op die manier zou architectuur weer qua inhoud aan relevantie en zeggingskracht kunnen winnen. Zo heb je bijvoorbeeld de acute transformatieopgave in de naoorlogse wijken, die gebouwd zijn naar aanleiding van de enorme geboortegolf in die tijd. Niet alleen gaat het om massaal veel wijken: in een korte periode is voor één generatie meer gebouwd dan voor alle vorige generaties bij elkaar. Het probleem is dat deze wijken bedacht zijn voor een samenlevingsmodel dat vandaag niet langer aan de orde is. Het zijn allemaal woonwijken gestoeld op grote, kinderrijke gezinnen, met een hele batterij aan voorzieningen, waarbij de burger werd begeleid van de wieg tot het graf. Inmiddels hebben we veertig procent alleenstaande huishoudens. Na de verschillende immigratiegolven wonen er in deze buurten heel veel culturele achtergronden al dan niet samen. De geboortegolf van toen dient zich nu aan als vergrijzingsgolf. Dat brengt een heel andere manier van wonen en samenleven met zich mee, die om een totaal andere benadering vraagt. En dan zegt de verzorgingsstaat: ‘Wij kunnen dit allemaal niet financieren. Dus burgers: zelfredzaamheid.’ Dat is een absoluut radicale omwenteling en vreemd genoeg lijkt niemand zich op dit moment met voldoende diepgang en met dezelfde radicaliteit te bekommeren om dit soort van complexe en noodzakelijke transformatie opgaven.

JD: Eigenlijk zeg je, de overheid houdt zich niet langer bezig met al die maatschappelijke vraagstukken. De burgers kunnen dat ook niet allemaal oppakken. De markt kan dat al helemaal niet. En dan positioneer je ontwerpers midden in dat krachtenveld, met als hoofddoel empowerment, maar dan op een nieuwe manier. De architect als God dreigt ook in wat je net zei. Niemand doet het nog, dus de architect moet het gaan doen?

FA: Ik zie de architect niet als God, maar wel als degene die bij uitstek in staat is om binnen de dynamiek van zo’n onoverzichtelijk krachtenveld met allerlei tegengestelde belangen uiteindelijk een weg en ook een vorm te vinden waarbij grote problemen aangepakt worden om tot grote verbeteringen te komen. Een architect is gewend om samen te werken met veel verschillende disciplines. Als je dat veld uitbreidt met allerlei maatschappelijke vragen, wordt het alleen maar interessanter en relevanter. Vandaar zijn we vorig jaar meteen gestart met een prijsvraag voor vluchtelingenhuisvesting. In heel Europa was er een schokgolf. Er werd luidop gezegd: ‘We gaan ten onder.’ Terwijl in 2015 in de EU in absolute termen ongeveer een kwart procent van onze bevolking aan vluchtelingen is opgenomen. Hoe kan het dat een kwart procent zo’n paniek veroorzaakt, terwijl het in landen als Jordanië gaat om maar liefst dertig procent? Dan stel ik vast: dit is geen vluchtelingencrisis maar een solidariteitscrisis. Hier toont zich het onvermogen van landen om samen te werken. Eigenlijk kan je deze situatie als een metafoor zien voor de manier waarop onze woningbouw vandaag is georganiseerd. Hoe kan het dat Nederland inmiddels de duurste woningbouw van Europa heeft? Terwijl je weet dat er een hele laag van meer mobiele, stedelijke bewoners is die behoefte heeft aan flexibele, goedkope woonruimte. Dan spreek ik niet alleen over vluchtelingen, maar ook over studenten, expats, mensen die net gescheiden zijn, ouderen die terug naar de stad willen, seizoensarbeiders, enzovoort. Vaak zijn juist dát de groepen die een stad een positieve dynamiek geven. Daarom is het niet de vraag hoe we vluchtelingen gaan huisvesten, maar hoe we een veel lichtere of tijdelijke vorm van woningbouw aan onze steden kunnen toevoegen. Op die manier kunnen mensen veel makkelijker komen en gaan, zonder dat dit meteen een gevoel van crisis veroorzaakt. En dan gaat het niet langer over het moeizaam oplossen van problemen maar om een optimistische kijk op stadsontwikkeling. We hebben het onwaarschijnlijk goed in Nederland, maar zo gauw we over de toekomst nadenken zien we alleen een dreigend verlies. Dat merk je ook in het politieke debat, dat enkel nog gaat over het voorkomen en oplossen van problemen. Er lijkt geen enkel besef meer dat onze generatie het beter heeft dan welke generatie ooit. Het gevoel dat we met alle beschikbare middelen toch verder kunnen reiken, ontbreekt totaal. Het is aan de architect om mee te denken en te spreken over de toekomst in termen van maatschappelijke winst.

Van exportproducten naar het ontwerpen van veranderingsprocessen

EV: Architecten moeten volgens jou dus hun ontwerpkracht inzetten om betere toekomsten te verbeelden. Hoe kunnen we dan van droom naar daad gaan? Hoe probeer je tot concrete acties te komen?

FA: Met de prijsvraag ‘A Home away from Home’, die gericht was op de huisvesting voor vluchtelingen, is een aantal prototypes op ware grootte gerealiseerd tijdens de Dutch Design Week. Dan zie je dat de afstand tussen droom en daad overbrugbaar is. Met name de Finch Buildings zullen door de gemeente Leiden worden gebouwd, en nog meer gemeenten zijn bezig met het realiseren van projecten van andere winnaars. Deze modules zijn aan te passen aan het gebruik en de locatie, en kunnen dienen als zorgwoningen, studentenwoningen, hotels, of huisvesting voor statushouders. Juist door ze kwaliteit te geven, worden ze aantrekkelijk om ook voor andere doelgroepen ingezet te worden. Uiteindelijk spaar je daar veel geld mee uit, doordat je niet alles voortdurend moet opbouwen en afbreken, vervoeren, opslaan en ook geen tijdelijke funderingen en leidingen hoeft aan te leggen. Maar ook de opgave voor vluchtelingenkampen in de getroffen regio’s vraagt om een andere aanpak. Hetzelfde geldt voor sloppenwijken waar je over verbetering en opwaardering met en voor de huidige bewoners kunt gaan nadenken als je slimmere vormen van lichte woningbouw ontwikkelt. Bij regeringen bestaat vandaag de angst dat vluchtelingenkampen op termijn uitgroeien tot permanente settlements. Het gevolg is dat iedereen in tenten blijft zitten. In de zomer zijn die tenten bloedheet en in de winter bieden ze geen bescherming tegen de kou. Als reactie heeft René van Zuuk een ingenieus huis van piepschuim bedacht. Piepschuim is makkelijk transporteerbaar per boot, de mensen zetten het ter plaatse zelf in elkaar om het nadien te bepleisteren en het is heel licht en goedkoop. Je hebt geen funderingen nodig en dankzij de hoge isoleerwaarde heb je bij wijze van spreken in de winter genoeg aan één waxinelichtje om je te verwarmen, terwijl het in de zomer bescherming biedt tegen de hitte. We beschikken over goede ontwerpers, nieuwe materialen en de juiste productietechnieken. Het toont dat je met de toevoeging van ontwerpkracht heel snel duidelijke verbeteringen teweeg kan brengen. Dan gaat het niet langer om de export van producten, maar om het exporteren van een manier van denken. Of eigenlijk: doen, met je voeten in de modder gaan staan en kijken wat je kan bewerkstelligen. En dat kunnen we ook van ontwerpers vragen.

EV: De inzet van de tweede prijsvraag, ‘Who Cares’, sluit hierbij aan. Deze prijsvraag is een oproep voor ontwerpideeën rond toekomstbestendige wijken. Aan de ene kant zie je dat de overheid drastisch moet en wil besparen, en daarom een beroep doet op de zogenaamde burgerkracht. Als je zorg nodig hebt, dan word je geacht eerst je familie, vrienden, buren en kennissen te vragen om je te helpen, wat niet voor iedereen evident is. Maar als je er op een positieve manier naar probeert te kijken, dan gaan we van cure naar care: van genezen van ziekte naar een meer zorgzame omgang met de inrichting van onze woon- en leefomgeving. Ook hier zitten er twee kanten aan het verhaal. Hoe kijk je naar de huidige veranderingen in het zorgsysteem?

FA: De vergrijzing van de bevolking en het feit dat de verzorgingsstaat niet meer overeind blijft, kunnen we problematisch vinden. Tegelijk vindt iedereen het een aantrekkelijk idee om langer thuis te kunnen blijven wonen. Dus er zitten ook goede kanten aan. Alleen moeten we verder durven denken dan het aanpassen van woningen: met trapliften alleen redden we het niet. Voor mij is het allereerst een stedenbouwkundige opgave. Deze prijsvraag is opnieuw heel nadrukkelijk gericht op realisatie, waarbij we actief samenwerken met vier gemeenten, namelijk Rotterdam, Almere, Groningen en Sittard-Geleen. We doen een beroep op multidisciplinaire teams, met als doel om zo veel mogelijk verschillende partijen bij het proces te betrekken. We willen de zorgvraag openbreken. Zorg gaat immers niet alleen om ouderen, maar om iedereen die (tijdelijk) kwetsbaar is. Als de stad zo is ingericht dat ze goed werkt voor kwetsbare groepen, werkt ze voor iedereen goed. We richten ons hierbij op drie onderzoeksvelden: integratie van zorg in de wijk, nieuwe ideeën voor woonvormen en samenleven, en inrichting van het openbare domein. Bij dat laatste punt gaat het vanzelfsprekend over interactie en ontmoeting, maar ook over mensen laten bewegen. Van studenten die een dagje hebben meegelopen met een bejaarde, hebben we bijvoorbeeld geleerd dat één te hoge stoeprand op de route naar het winkelcentrum al kan betekenen dat mensen voortaan maar binnen blijven. Niet dat je de stad moet gaan inrichten vanuit een totaal foolproof idee. Maar het zijn eerste oefeningen om zorg en vergrijzing ook als ontwerpopgave te gaan zien; via een intelligente ontwerphouding naar waardigheid.

JD: De Nederlandse architectuur is vaak slim opportunistisch. Jullie slagen er keer op keer in om het maximum te halen uit maatschappelijke veranderingen, om er dan weer een soort markt van te maken. Eigenlijk zeg je, dat is oké. Dat moeten we opnieuw kunnen willen doen. Die veranderingen hebben namelijk positieve punten, al is het wel belangrijk om ook telkens die maatschappelijke agenda in combinatie met dat marktdenken op te zoeken.

FA: Ja, dat maakt een crisis interessant. Dan merk je hoe kwetsbaar je bent als je alleen op geld stuurt. Een mooie illustratie van die combinatie tussen pragmatisme en idealisme is het jongerenhospice Xenia, een project in Leiden dat in 2016 bekroond is met de Gouden Piramide, de rijksprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap. Het initiatief komt van een verpleegster die vaststelde dat er veel voor kinderen en ouderen met een levensbedreigende ziekte wordt gedaan, maar eigenlijk niets voor jongeren. Zonder budget en zonder financiële middelen heeft zij midden in de stad een hospice opgericht waar deze jongeren tijdelijk verzorgd kunnen worden. Met behulp van giften en steun van een woningcorporatie is ze erin geslaagd om dit project toch van de grond te krijgen. De begeleiding gebeurt deels door vrijwilligers onder de vele jongeren die in Leiden studeren, die graag hun leeftijdsgenoten die een ziekte hebben bijstaan. In een businessmodel reken je dat nooit dicht, maar door het gewoon te doen worden er allerlei mechanismes in gang gezet en kan het ineens wel. Geld is belangrijk, maar het is slechts een van de krachten binnen een veel ruimer proces waarbij je ook andere aspecten naar boven kan halen. Als er één les uit de crisis is te trekken, dan is het wel dat je je kwetsbaar maakt als enkel geld sturend is.

Tabula scripta: boetseren aan een cultuuromslag

JD: In de verschillende voorbeelden die je aanhaalt, wordt de architect in een totaal nieuwe positie in het maatschappelijke veld gezet. Dit vraagt ook om een andere architectuurcultuur. Is de toekomstige generatie architecten daar klaar voor? Zijn de architectuurscholen daar op afgestemd?

FA: Uit de Nederlandse architectuur blijkt wel dat we goede architectuurscholen hebben, waar sterke architecten worden opgeleid die goed kunnen ontwerpen. Maar inderdaad, die maatschappelijke vragen komen nog nauwelijks aan bod en dat probeer ik wel bij te sturen. Op de academie in Amsterdam, waar ik nu lesgeef, heb ik mijn lectoraat ‘tabula scripta’ genoemd, het omgekeerde van ‘tabula rasa’. In plaats van het schoonvegen en opnieuw beginnen, pak je wat je hebt en werk je er op door. Hiermee wil ik aan studenten zeggen dat dit niet alleen de opgave van de toekomst is, maar ook een volwaardige vorm van architectuur. De architect is als een beeldhouwer die de massa bewerkt, en die massa is dan de bestaande stad. En in het bewerken van een al bestaande stad kan je veel preciezer zijn, je kan verfijning aanbrengen, en lagen toevoegen. Dat levert uiteindelijk een veel interessantere stad op, namelijk het soort stad dat we waarderen als we in historische binnensteden komen. Ik merk dat de studenten dat goed oppikken, dus ik heb wel goede hoop op de volgende jongere generaties wat dat betreft.

EV: Grijp je daarnaast nog andere kansen aan om aan dat forum te werken voor een andere architectuurcultuur? De ‘tabula scripta’- benadering resoneert ook in je ambities als Rijksbouwmeester. Is er voldoende ruimte waar dit kan worden getest? Je zou elk jaar een prijsvraag kunnen lanceren, maar volstaat dat?

FA: Ik geef ook doelbewust veel lezingen om het debat te initiëren. Ik zie dit als een manier om naar één verhaal toe te bouwen, dat ook gevoed wordt door de prijsvragen die ik organiseer. Eind vorig jaar heb ik een eerste essay in boekvorm gepubliceerd, met als titel De eman cipatie van de periferie. In Nederland is al een tijdlang een discussie over bevolkingskrimp aan de gang. Momenteel definiëren we die krimp enkel als een probleem. In mijn lezingen en in dit essay wil ik de huidige discussie graag ombuigen. Vandaag lijkt er een beeld van Nederland te bestaan als uitvergrote Randstad waar het allemaal gebeurt, met daarnaast gebieden waar het niet lijkt te gebeuren. Ik zie de groeiende Randstad niet als het enkelvoudige goede, en de krimpende periferie niet als het failliet. Ik zie Nederland als één samenwerkend systeem. Groei is niet de enige vorm van ontwikkeling. Ontwikkeling kan ook zijn dat je radicaal vernieuwende concepten bedenkt op het vlak van bijvoorbeeld voedsel- of energieproductie. De sterk verstedelijkte Randstad kan alleen bestaan als er in de gebieden eromheen voldoende energie en voedsel wordt geproduceerd. Dat los je niet op in het stedelijk weefsel en daarvoor heb je juist perifere gebieden nodig die de ruimte kunnen bieden. Als je met net iets andere ogen naar het systeem kijkt, zie je dat het juist de periferie is die bij de meest wezenlijke vragen een pioniersfunctie moet vervullen. De regio is beter gepositioneerd als het om radicale vernieuwing gaat. 

Naar een gedeelde verantwoordelijkheid

JD: In je verhaal slinger je heen en weer tussen ‘fuck context’ en ‘tabula scripta’, maar in jouw versie zijn het eigenlijk twee kanten van hetzelfde. Aan de ene kant zeg je dat de grote maatschappelijke veranderingen het nodig maken om met een ‘fuck context’-mentaliteit te kijken naar wat er gaande is. Aan de andere kant wijs je op het belang van de ‘tabula scripta’ en het kijken naar wat er al is. Daarbij gaat het niet om het terugbrengen naar wat er was, of om het dichtpleisteren van de scheurtjes in het systeem, maar om het verderbrengen door op een veel radicalere manier te herontwerpen. Je zou bijna gaan geloven dat er via het agenderen van de juiste kwesties een wereld te winnen is. Maar waar zitten volgens jou de pijnpunten?

FA: Het grote risico is dat er niks gebeurt, en dat er een cynisme groeit dat de hele samenleving aantast. Dan schuiven we verder op naar het Amerikaanse systeem: als je er uitvalt, dan zoek je het maar uit. Ik haal in deze context graag Michel Houellebecq aan en zijn Elementaire deeltjes. Dan zal de entropie, of de toename van wanorde en chaos die als basiswet het heelal beheerst, uiteindelijk ook de ontwikkelingsrichting van onze maatschappij bepalen. Maar dat doemscenario vind ik te waarschijnlijk en te weinig uitdagend. Daar heb je geen verbeeldingskracht voor nodig. In dat verband moet je ook de ‘fuck context’-uitspraak zien: het besef dat je eigen verhaal meer moet zijn dan alleen een afgeleide van wat de omgeving biedt of dicteert. Dat is ook waar het ‘tabula scripta’-lectoraat over gaat. Het blijft fascinerend hoe onzichtbaar geleidelijke processen zijn. Het langzame afkalven, de geleidelijke erosie ervaar je niet en mensen wennen aan alles. Daarom is het belangrijk om fundamentele vragen te blijven stellen bij onze huidige manier van wonen, werken en leven. Antwoorden moeten even radicaal zijn als de vragen die de huidige tijd ons stelt.

JD: Koppel je dat wakker schudden met het oog op een betere toekomst ook aan de rol en het beleid van de overheid waar je voor werkt?

FA: Die koppeling probeer ik zeker te maken, zowel in mijn gesprekken met ministers als bij het vertellen van verhalen. Want uiteindelijk gaat het toch allemaal over de integraliteit van het denken, terwijl alle systemen en overheidsstructuren eerder vertrekken vanuit hun eigen domein, met elk hun eigen budget, planning en doelstellingen. Telkens weer zie je dat de oplossing van de een het probleem van de ander is. Maar zo gauw je verschillende domeinen koppelt, kan je geldstromen gaan combineren en kan je effectiever opereren. Daarom is ook de samenwerking met het College van Rijksadviseurs cruciaal. Wij werken vanuit het idee dat je meerdere ministeries verbindt en gezamenlijke agenda’s formuleert. Daarbij gaan we telkens op zoek naar de mogelijke koppelingen tussen verschillende domeinen en naar de rol die ontwerpkracht hierin zou kunnen spelen. Zo zijn we momenteel aan het samenwerken aan de ruimtelijke impact van de energietransitie.

JD: En door die domeinen opnieuw bij elkaar te brengen, kan je uiteindelijk ook de maatschappelijke kosten reduceren.

FA: Precies. En dan moet je niet alleen gaan nadenken over hoe, maar ook door wie je die domeinen bij elkaar kunt brengen. Daar is ook een rol voor de gemeenten en voor de bouwers weggelegd. Sinds de economie weer een stijgende lijn vertoont, is zeker in het westen van het land de stemming bij zowel de gemeenten als de bouwers dat het geweldig gaat. Beide partijen hebben grondposities en die moeten over de toonbank. Ik probeer ze aan te spreken op hun verantwoordelijkheid bij de binnenstedelijke verdichtingsopgave en bij de transformatieopgave van de al bestaande wijken. Dat zal uiteraard meer geld en inspanning kosten, want gebiedsverwerving is moeilijk, net als transformatie en inspraak. Maar als je vanuit een integrale visie alle kosten bij elkaar optelt, wordt verder bouwen aan bestaand stedelijk gebied logisch en wenselijk. Daarvoor is het nodig dat alle betrokken partijen die grotere maatschappelijke vraagstukken gaan zien als iets waar ze collectief aan moeten werken: de overheid, de gemeenten, de bouwers, en de architecten. Dat is een cultuuromslag die nu gaande is.

JD: Zijn architectenbureaus nog zodanig georganiseerd dat zij dat soort werk rond maatschappelijke opgaven kunnen doen?

FA: Ik probeer in elk geval zowel de gevestigde bureaus als de grote groep van zzp’ers aan te spreken met mijn verhaal. Beide groepen hebben een verantwoordelijkheid op dat gebied. Maar voor de grote bureaus is dat zeker niet vanzelfsprekend. Omdat het geld vandaag weer gemakkelijker binnenkomt, is de noodzaak om andere domeinen op te zoeken ook weer veel minder aanwezig. Tegelijk is als gevolg van de crisis de beroepsgroep gehalveerd, terwijl het aantal bureaus is verdubbeld. Tachtig procent van de Nederlandse architecten werkt als zzp’er. Dat is een enorm leger van mensen die zichzelf én hun positie in het veld als het ware opnieuw moeten uitvinden. Daarin schuilt een enorme vernieuwingskracht.

EV: Wat je schetst klinkt als een optimistisch pleidooi voor de architectuurpraktijk. Via het ontwerpen kan de maatschappelijke opgave of het ‘wat’ dichterbij worden gebracht, maar ook hoe die kan worden aangepakt, en met wie. Het is tegelijk dus een luide oproep om die praktijk te herwaarderen door haar drastisch te transformeren?

FA: Inderdaad. In een tijd waarin de veranderingen zo drastisch zijn, gaat het erom eerst de vraag zelf te onderzoeken en dan pas het antwoord te geven. Daar zit ook een evolutie in de taakstelling van de Rijksbouwmeester. Hij is begonnen als ‘Architect des Konings’. Toen waren het alleen maar paleizen. Vervolgens werd het rijksvastgoed. Mijn agenderende rol zie ik hierbij als een essentiële toevoeging. Mijn hoop is om zo op een aantal punten te laten zien hoe het anders kan, via het opbouwen van een cultuur. En dat dit vervolgens voldoende bewijskracht oplevert om een echo te hebben. Maar deze poging kan evengoed falen. Het is geen verlangen om te falen, maar ook geen verlangen om falen uit te sluiten.

Bestel hier het Jaarboek Architectuure in Nederland 2016/17

Meer

Masterclass— Zorgzame Buurten
Atelier Kortijk 2025— Vernieuwende stedelijke ontwikkelingsstrategie
Designing The Future— debattenreeks
Atelier Brussels— Masterclasses
Atelier Brussels— Lectures Structure and Stimulus
Atelier Brussels— Urban Walks
Antwerpen— Onderzoek Mapping levendigheid van wijken
Atelier Brussels— Expo A Good City Has Industry
Spoor Oost— Stadsvernieuwingsproject
Stad Brugge— Week van de Ruimte
Revitalisering Zeebrugge— Stadsvernieuwingsproject
Torhout— belevings- en identiteitsonderzoek
Lancering OASE 96 Sociale poetica— De architectuur van gebruik en toe-eigening
Van cure naar care— transities in de gezonde stad Utrecht
Atelier Brussels— Urban Meeting IABR
Urban Meeting Bozar— De Productieve Metropool
Imagine Europe— Bozar
Atelier Brussel— De Productieve Metropool
Oproep naar ontwerpteams— Atelier Brussel De Productieve Metropool
Ontwikkelingsstrategie— Oostende Oosteroever
Herziening ruimtelijk structuurplan— Stad Brugge
De Stad als Fabriek— Buda Workroom
Colloquium — Architectuur in België en Turkije: Veranderende praktijken
Platform Architectuurcultuur
Gent Muide-Meulestede
IABR 2016 — Projectatelier Utrecht: De Gezonde Stad
Publicatie—Weven aan het Stedelijk Tapijt
Eurodelta 2030 - 2100
Eurometropolitane Blauwe Ruimte
Atelier— Productive BXL
Atelier de Stad— Brussel
Lezing — Mark Brearley
Festival Kanal Play Ground
Metropolitaan Kustlandschap 2100
IABR 2014 Urban by Nature— projectatelier Brabantstad
Toekomstverkenning Vlaamse Landmaatschappij (VLM)
Productive Space By Design— conferentie
Conceptbegeleiding Stadsvernieuwing— Kern Rechteroever Aalst
Strategische verkenning— pilootprojecten productief landschap
Atelier— In Between
Atelier à Habiter— Tentoonstelling
Atelier— ontwikkelingsvisie sidaplax Gent
Atelier De Stad Brussel— Kanal Play Ground
Internationaal Atelier— Eurometropolis
Expertadvies— Nieuw Gent
Atelier— ontwikkelingsvisie wonen in Kapellen
Publicatie—The Ambition of the Territory
Studiedag—Naar een gedeelde ontwerpagenda voor Vlaanderen
Vlaanderen als Ontwerp— Atelier
The Ambition of the Territory— deSingel Internationale Kunstcampus
Lezing— Carolyn Steel - The Hungry City
Changing Cultures of Planning— Rotterdam, Zürich, Nantes, Randstad, Bordeaux
Naar een visionaire woningbouw in Vlaanderen
Masterplan—kanaalzone Brussel
The Ambition of the Territory—Belgisch Paviljoen Venetië 2012
Making City—5e Internationale Architectuur Biennale Rotterdam
Trajectbegeleiding—opmaak bestek gevangenis Haren
Bouwen voor Brussel— Architectuur en stedelijke transformatie in Europa
Making City—Atelier Istanbul
G A R D E N— Parckdesign 2012
Open House Brussel—debatten en artistiek parcours
Tentoonstelling—Making City
Exploring the metropolitan condition
The Next Economy— België sterk vertegenwoordigd op de International Architecture Biennale 2016
Master Class—120% Brussels
Stadstraject—Kanaalzone Brussel
Programma—Bouwen voor Brussel
Tentoonstelling—Bouwen voor Brussel
Tentoonstelling—Architecture for Justice
Conceptstudio's—Beleidsplan Ruimte Vlaanderen
IABR-Atelier Rotterdam— Energietransitie als stadsproject
IABR-Atelier Rotterdam— Oproep aan Architecten
Open Ruimte Platform— Oproep Water-Land-Schap
Vacature— Ervaren Projectleider (m/v)
Vacature— Productie Coordinator (m/v)
Water as Leverage for Resilient Cities: Asia
Open Ruimte Platform— Publicatie Operatie Open Ruimte
THE MISSING LINK— Curator Statement, Onderzoeksagenda en Call for Practices
Atelier Zennevallei
Urban Intervention — BRIDGE
Workshop Series — Urban Economy in the Brussels Metropolitan Area
Lezing en Debat — Industrie Meer Ruimte Geven
Rotterdam Biennale benoemt drie curatoren voor tweeluik 2018+2020
Een Wereld Te Winnen— Floris Alkemade in gesprek met Els Vervloesem en Joachim Declerck
With structural support from the Flemish government and regular support from the Brussels capital region and other regional and local governments.